C.G. Jung
Gepost door Woudziel zelve op 21/06/2008 om 15:00
Toegevoegd onder: Achtergrondinfo, Mensen
Levensdrang
Jung geloofde dat de mens in belangrijke mate gestuurd wordt door een algemene ‘levensdrang’. Hij geloofde dat het wezen van de persoonlijkheid behalve door het persoonlijk bewustzijn ook, en grotendeels, gevormd wordt door wat hij het collectief onbewuste noemde, een overgeërfd deel van het onderbewustzijn dat volgens zijn leer in alle vertegenwoordigers van een ras of soort aanwezig is.
Archetypen
Jung ontwikkelde, uitgaande van deze leer, de archetypen. Deze archetypen, begrippen zoals vuur, besef van kwaad of ‘boze geest’, held, godsvrucht, enzovoorts, zijn als het ware overgeleverde, functionele oerdrijfveren die de persoonlijkheid van de mens structureren.
Zelfverwezenlijking door schaduwboksen
Het centrale doel van Jungs psychologie is het individuatieproces of de zelfverwezenlijking. Naast het ‘ik’ onderkent Jung het ‘zelf’ dat een centrum is dat zowel het bewuste als het onbewuste omvat en dus in principe onbegrensd is (aangezien het onbewuste ook het collectieve onbewuste betekent). De realisatie van dit tweede centrum naast het ‘ik’ is een proces dat gekenmerkt wordt door de vereniging van tegenstellingen in de mens zelf: goed en kwaad, licht en schaduw, binnen en buiten.
Vier basistypen
Jung is wellicht nog het meest bekend geworden door zijn typologie. In zijn boek Psychologische typen uit 1917 werkte hij vier basistypen van de menselijke persoonlijkheid uit. Hij stelde daarbij contrasterende functies tegenover elkaar: denken en voelen, perceptie (waarneming) en intuïtie. Eén daarvan is bij elk basistype dominant. Een bijkomende, belangrijke factor is of de psyche naar binnen (introvert) of naar buiten (extrovert) is gericht.
Mythologie en symboliek
Jungs systeem is hoogst ingewikkeld. Hij baseerde zijn ideeen op zowel ervaringen in zijn klinische praktijk, als de mythologie en zijn kennis van het vergelijkend symbolisme. Zijn werk wordt gekenmerkt door een groot aantal nieuwe concepten en principes.

22 Aug 2008 om 17:27
Laten we het voorafgaande voor wat het is, zodat we meteen door kunnen stoten naar het religieuze, dat is het terug-lezen naar de oerkern. In alle religies vinden we de gedachte aan een oertuin, een paradijs. In deze omheinde, beschermde plek leefde de oermens in eenheid met de natuur. Ook nu nog zijn er volken die deze theorie beamen. De moderne mens is wat dat betreft de weg kwijt en zou het in een oerwoud niet langer dan drie dagen uithouden. We hebben dus de bescherming nodig…Deze bescherming is de belangrijkste taak van sjamanen bij oervolken en heet zegen bij modernere religies.
In een wereld die zowel belofte als gevaar inhoudt en dus onzeker is, wordt gezocht naar een zekerheid, een God. Deze God wordt ook gevonden en laat zich kennen in woord en daad. Telkens weer blijkt de boodschap een diepe zorg om hoe de mens met de aarde en de medemens omgaat en dus een bevestiging van de vrije wil. Geworpen in de wereld met vrije wil is de mens aangewezen op zijn intelligentie om te overleven. een intelligentie die moet wedijveren met wellust in al haar vormen, want die hebben de planeet kapot gemaakt.
In alles huist een teken van de goddelijke oorsprong, dat kan reageren op een goddelijke inspiratie in de mens. Zo was het niet zinloos dat St. Fransiscus tot de vogeltjes predikte. Alles staat uiteindelijk in verband met alles, dus zijn preken komen ook bij ons aan, niet alleen inhoudelijk, maar ook het diepe besef dat al het levende leeft!
22 Aug 2008 om 21:12
Vergeef mij de lengte die deze bijdrage inneemt. Maar deze site en nu met name deewa’s directe verwijzing naar Franciscus van Assisi doen mij denken aan diens prachtige Cantico delle Creature (Loflied van de Schepselen). Taalkundig is dit werk van belang, omdat het het eerste literaire werk in de Italiaanse volkstaal is (ca. 1225). En verder is het m.i. gewoon een schitterend gedicht:
Allerhoogste, almachtige, goede Heer,
van u zijn de lof, de roem, de eer en alle
zegen.
U alleen, Allerhoogste, komen zij toe en
geen mens is waardig U aan te spreken.
Wees geprezen, mijn Heer, door al uw
schepselen,
vooral door mijnheer broeder Zon,
die de dag is en door wie gij ons verlicht.
En hij is mooi en straalt met grote
pracht:
van U, Allerhoogste, draagt hij het teken.
Wees geprezen, mijn Heer, door zuster
Maan en de sterren:
Aan de hemel hebt Gij ze gevormd,
helder en kostbaar en mooi.
Wees geprezen, mijn Heer, door
broeder Wind,
en door de lucht, bewolkt of helder, en
ieder jaargetijde,
door wie Gij Uw schepselen leven geeft.
Wees geprezen, mijn Heer, door zuster
Water, die heel nuttig is en nederig,
kostbaar en kuis.
Wees geprezen, mijn Heer, door
broeder Vuur
door wie Gij voor ons de nacht verlicht:
en hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk.
Wees geprezen, mijn Heer, door onze
zuster moeder Aarde,
die ons voedt en leidt,
en allerlei vruchten voortbrengt, bonte
bloemen en planten.
Wees geprezen, mijn Heer, door wie
omwille van Uw liefde vergiffenis
schenken
en ziekte en verdrukking dragen.
Gelukkig wie dat dragen in vrede,
want door U, Allerhoogste, worden zij
gekroond.
Wees geprezen, mijn Heer, door onze
zuster de lichamelijke Dood,
die geen levend mens kan ontvluchten:
Wee hen die in doodzonde sterven:
gelukkig wie sterven tijdens het
verrichten van Uw allerheiligste wil,
want de tweede dood zal hun geen
kwaad doen.
Prijs en zegen mijn Heer,
en dank en dien Hem in grote
nederigheid.
22 Aug 2008 om 21:13
En uiteraard in het prachtige Italiaans:
Cantico delle Creature
Altissimu, onnipotente bon Signore,
Tue so’ le laude, la gloria e l’honore et
onne benedictione.
Ad Te solo, Altissimo, se konfano,
et nullu homo ène dignu te mentovare.
Laudato sie, mi Signore, cum tucte le
Tue creature,
spetialmente messor lo frate Sole,
lo qual’è iorno, et allumini noi per lui.
Et ellu è bellu e radiante cum grande
splendore:
de Te, Altissimo, porta significatione.
Laudato si’, mi Signore, per sora Luna e
le stelle:
in celu l’ài formate clarite et pretiose et
belle.
Laudato si’, mi Signore, per frate Vento
et per aere et nubilo et sereno et onne
tempo,
per lo quale, a le Tue creature dài
sustentamento.
Laudato si’, mi Signore, per sor’ Acqua,
la quale è multo utile et humile et
pretiosa et casta.
Laudato si’ mi Signore, per frate Focu,
per lo quale ennallumini la nocte:
ed ello è bello e iocundo et robustoso et
forte.
Laudato si’, mi Signore, per sora nostra
matre Terra,
la quale ne sustenta et governa,
et produce diversi fructi con coloriti fior
et herba.
Laudato si’, mi Signore, per quelli che
perdonano per lo Tuo amore
et sostengono infirmitate et tribulatione.
Beati quelli ke’l sosterranno in pace,
ka da Te, Altissimo, sirano incoronati.
Laudato si’, mi Signore, per sora nostra
Morte corporale,
da la quale nullu homo vivente pò
skappare:
Guai a quelli ke morrano ne le peccata
mortali:
beati quelli ke trovarà ne le Tue
sanctissime voluntati,
ka la morte secunda no’l farrà male.
Laudate et benedicete mi Signore,
et rengratiate et serviateli cum grande
humilitate.
(uit: Ossola, C., Segre, C. (red.), Antologia della poesia italiana, vol.I, Torino 1997)