Een zomer, lang geleden, als ik de koeien uit de weide haalde (ik kom van een boerderij), keek ik altijd even in de oude wastobbe die dienst deed als drinkbak. Er zwom een tor in. In zijn eentje. Dag na dag zat hij in die tobbe.

Het was een flinke tor. Ik weet niet wat zijn wetenschappelijke naam was, maar het was een mooie grote tor. Soms zat ie op de bodem. Dan stak ik mijn arm in het water en tikte hem even aan, en dan zwom ie een stukje.

Soms had ie zich verstopt, maar ik vond hem altijd.

Ik had het gevoel dat de tor en ik iets met elkaar hadden, en ik begroette hem elke dag zogezegd even. Het was verder stil, afgezien van de leeuweriken (die er nu niet meer zijn) en het was een rustpuntje in de dag.

Op een dag echter was de tor verdwenen. Zijn rol was uitgespeeld. Was ie opgegeten door een vogel? Of was ie uit de tobbe geklommen? Had een koe een te grote slok genomen en de tor ingeslikt? Wat gebeurt er met een tor die in een koe terecht komt? Vier magen, dat overleef je niet. Één maag is al genoeg vermoedelijk.

De tor is uiteengevallen in molekulen. Het is niet bekend waar die molekulen zich momenteel bevinden. Misschien wel in het eitje dat ik vanmorgen at.