Ik sta aan de grond genageld op het erf van mijn geboorteplek. Ik kijk naar boven, waar hoog in de etherische lucht megagrote eiffeltorenachtige metalen staketsels van een soort bouwkraan zweven. Eentje begint zich al zwevend uit te vouwen.

Het zijn wonderwerken van de menselijke ratio, ingenieurswerk.

Ik ben angstig want ik weet dat het ook zo maar mis kan gaan. En ja: één van de gigantische constructies verliest hoog in de lucht zijn evenwicht en begint neer te storten.

Ik volg het gigantische bouwwerk terwijl het de grond nadert. Voor mijn ogen in de verte staat een hoge boom met een grote kroon, een mooi beschermend bladerdek.

Het bouwwerk stort op de boom neer als in slow motion. De boom wordt totaal vermorzeld en tot de wortel toe kapot gemaakt door het metaal.

Even later zal blijken dat er twee doden in de familie zijn. Waaronder H, op wie ik zo schijn te lijken.

[...]

Ik ben Woudziel. En ik zeg het maar eerlijk: ik heb een redderssyndroom. Genetisch bepaald.

Ik mag graag denken dat ik zo’n boom ben: de beschermer onder wie men kan schuilen, een redder.

Ooit stroomde er een diep geluksgevoel door mij heen. Het was een donkere zeer vroege ochtend in Zuid Frankrijk, op weg naar huis. Ik voelde me even een boom. Ik had iemand gelukkig gemaakt, ik had iemand gered.

Ik was intens gelukkig, angsten die ik had waren ineens als sneeuw voor de zon verdwenen. Maar later bleek het me dat het bull shit was.

Tip: men dient zich als redder altijd af te vragen, wil die ander wel gered worden.

Afgelopen nacht is mijn redderssyndroom verbrijzeld door… door… mijn rede.

En het grappige is, vind ik, dat mijn onderbewuste, zélf met een referentie naar de ratio (die ijzeren constructie) aankomt (dat is althans mijn analyse van het geheel).

Lang leve de psychotherapie.

Het valt niet mee afscheid te nemen van sprookjesfantasieën.

And now you will excuse me ’cause I have some crying to do.